|
De organisatoren en dichters van ‘Dichter bij Beeld’: Staand
v.l.n.r. Micheline Paredis (voorzitter uitvoerend
comité Middelheimpromotors vzw), Frank De Vos, Paul
Peeters (penningmeester Middelheimpromotors vzw),
Guy Commerman, Bart Stouten, Roger Nupie, Marc
Tritsmans, Lies Van Gasse, Roger Quadvlieg (lid
uitvoerend comité Middelheimpromotors vzw), Guy van
Hoof, Vincent Breugelmans (lid uitvoerend comité
Middelheimpromotors vzw), Tony Rombouts, Peter
Holvoet-Hanssen, Richard Foqué en Sara Weyns
(directrice Middelheimmuseum). Zittend v.l.n.r.:
Bert Bevers, Tin Vankerkom (die namens de
verhinderde Annemarie Estor voorlas), Sylvie Marie,
Albert Hagenaars en Marleen De Crée. Foto:
Siti Wahyuningsih.
Ter
gelegenheid van het nakende vijftigjarige bestaan van
de vereniging De Middelheimpromotors vzw (vrienden van
Beeldenmuseum Middelheim in Antwerpen) brachten de
leden een boek uit waarin zij teksten van 15 speciaal
hiervoor genodigde dichters koppelden aan evenzoveel
beelden in het park. De uitgave, toepasselijk getiteld
‘Dichter bij Beeld’, kwam mede tot stand dankzij de
organisatie Antwerpen Boekenstad.
Philip Heylen, Schepen voor Cultuur, en Baron Luc
Bertrand, voorzitter van de Raad van het Bestuur van
de vereniging schreven het voorwoord. Initiatiefnemer
en samensteller Richard Foqué, zelf ook dichter, droeg
zorg voor de inleiding.
De
presentatie van het boek vond plaats op zaterdagavond
21 juni 2014 in kasteel Middelheim. Hierna lazen de
dichters voor in het park, elk vlakbij de sculptuur
die aan hem hem of haar was toegewezen. In groepen van
maximaal 30 belangstellenden kwam het publiek
luisteren naar de optredens. Hoe later het werd, hoe
meer de lichteffecten een rol speelden.

|
Albert
Hagenaars schreef het gedicht ‘De Getuigen’
bij ‘Trois
figures debout’ (1978) van Eugène
Dodeigne (1923, Rouvreux). Hij ging uit van
de spanning tussen individu en groep, één
van de kernthema’s van de beeldhouwer, en
verbond die met de relatie tussen leven en
dood. Foto: Albert Hagenaars.
DE
GETUIGEN
Onder
beitelslagen richtten
wij
ons op uit stof en as,
willen
niet langer slechts samen-
geperste
vergezichten zijn
van
blauwe steen uit Soignies.
Bevrijd
van de oeroude druk
verweren
we, onzichtbaar ver-
stuivend
in wind en wezenloos
staren,
tot wat u, zonder woorden
maar
binnen bereik, hier vormt.
Bijna
mensen van vlees en bloed
getuigen
wij van uw oppervlakkig
begrip
voor de dood, die zich al in
de
diepste groeven door u verbreidt,
bekeren
ons tot elkaar. |




Marleen De
Crée, bij ‘De Kardinaal’ van Giacomo Manzú
(1952). Foto: Jean De
Crée.
CHANSON D’AMOUR
als ik je zie verandert de hemel
van licht, het gras van kleur,
de wind van richting, de bomen
van geruis. het uur gaat dicht.
of, de regen benevelt de zon, koorts
raast door mijn huis, slaat met
de deuren. niet bewegen
denkt hij, niets zien. het is genoeg.
wat hij had opgeslagen: dromen
misschien, stilte, binnentalen, is
niet te achterhalen. gedachten
wijken uit. spreek dan, zeg me.
als ik de ogen sluit, sluip je
in mijn stem, verlaat je mijn vingers,
raak ik je aan, lig je in het lijf.
overal om je heen dwaalt het wachten.
bomen, roerloos opgedeeld in lanen,
schaduwen die de hoek omslaan.
je zwijgende gezicht maait de liefde
uit mijn naam. zeg me, kijk me aan. |

| ‘De kardinaal’
van Giacomo Manzú. Foto: Jean De
Crée. |

|
Frank
De Vos, bij Moïra, en feuille morte van
Roel D’Haese (1900). Foto: Goddie
Caubergh.
MOÏRA, EN FEUILLE MORTE
Parlando
Moïra,
Dichter
bij het beeld ben ik een spraakgebrek,
een kalend hiaat
waarvan ik weet dat er nog een
punt ontbreekt, het lot dat in mijn
nerven kraakt.
In
deze onverlaat, in mijn stroom van broze
woorden
opgerold, in het blote dode blad dat
mij kleedt,
en langzaam met het weinige aarzelt.
Bijziend
blijf ik, zal ik zijn tot de tijd voluit
mijn naam
uitschrijft. Na het alles dat ik
bezong, bezing ik nog
steeds het ooit, een warm woord en
twijfel.
|

|
Bert
Bevers, bij ‘Het zotte geweld’ van Rik
Wouters (1912). Foto: Albert Hagenaars.
HAARSCHERP
O
ja, Nel is zichzelf terug gaan zien. Een
dikke
halve eeuw overleefde ze haar lieve Rik.
Maar
ze ís zichzelf als Grande Dame als Dwaze
Maagd
terug gaan zien. Met haar linkerhand
raakte ze
haar eigen jonge rechterbil van brons
lichtjes
grijnzend aan, eerder onbeholpen
blikkend in
een andere lens. Wat zagen ze elkaar
graag
in zot geweld. O, wat was ze destijds nog
strak
toch. Toen hij haar zo vereeuwigde klonken
er
lichte liederen waarin bloed zong.
Aan hun lippen
kleefden jonge woorden. Dauwzoet als
regen
rustte trouw in hun hart. Hij droeg
de dood
reeds in zich, maar die dag rook alles naar
vers
brood alom. Dat wist ze nog goed.
Haarscherp.
|

|
Richard
Foqué, bij ‘Firmament III’ van Antony
Gormley (2009). Foto: Albert Hagenaars.
MATELOOS IS HET FIRMAMENT
Mateloos is het firmament
in onszelf gespiegeld
naamloos blind en vormeloos
aan de aarde gespijkerd
als een nieuwe naam
die haar licht verbergt
angstig voor haar schaduw.
Het is leegte die door
leegte dwaalt
kruipend een schuilplaats
zoekt om te bestaan.
Alsof gemis aan lichaam ruimte vult
alsof de tijd ons heeft vergeten
de klokken stilgezet
en niets nog kan verschuiven
niets nog kan ontstaan.
Hier waar alle lijnen zijn getrokken
begin en einde ondeelbaar gekooid
onaantastbaar vastgeklonken.
Hier bezegelen wij ons lot.
Niets zal nog verdwijnen
alles kan dus vergaan
zo wordt de eeuwigheid ontsloten
moeten wij de sterren dragen
terwijl het licht zijn webben weeft
en oorverdovend schittert
aan een
mateloos firmament.
|


|
Eugène
Dodeigne (27 juli 1923)
is een in Wallonië geboren Franse beeldhouwer.
Afkomstig uit een familie van steenhouwers
leerde hij zichzelf de beginselen van het
vak. Hij studeerde vervolgens aan de École
des Beaux-Arts in
Tourcoing, de École des Beaux Arts in Parijs en
in het atelier van Marcel Gimond. Ook stond
hij invloeden toe van Constantin Brancusi,
Alberto Giacometti en Germaine Richier.
In het begin van de jaren zestig, na
exposities in o.a. Lille, Brussel en Parijs,
kreeg zijn naam een bekende klank in de
wereld van de moderne sculptuur. Zo lukte
het hem deel te nemen aan Documenta 2 en 3
in Kassel, de Biënnale
van Tokioen de
Exposition Internationale de Sculpture
Contemporaine in Montreal.
|Vanaf de jaren
zeventig verschenen Dodeignes monumentale werken
ook in het publieke domein, o.a. op de
Skulpturenmeile in Hannover en in de
beeldenroute Kunstwegen in Nordhorn alsmede
in beeldenparken van musea, zoals de tuin
van Kröller-Müller in Otterlo en het
Openluchtmuseum Middelheim te Antwerpen,
waar ‘Geknielde
figuur’ (1970) en ‘Drie
staande figuren’ (1978) te zien
zijn.
Een van zijn bekendste werken is het
monument uit 1989 in het buitenkamp van
concentratiekamp Neuengamme in Hannover.
Eugène
Dodeigne leeft en werkt sinds 1950 in de
Franse plaats Bondues,
niet ver van de Belgische grens.
|
|