| DE BEELDENDE KUNST: 1971-1980. | ||||||||
|
Van 1975 tot begin jaren
tachtig onderzocht Albert Hagenaars mogelijkheden voor een carrière in
de beeldende kunst. In 1980 al bleek de belangstelling voor de
literatuur sterker.
In 1975 experimenteerde Albert Hagenaars met abstractie in verschillende technieken maar het bleef ditmaal nog bij slechts enkele tientallen tekeningen en schilderijen, die hij te vrijblijvend vond. De figuratie zou nog enkele jaren standhouden.
Hierna
wilde hij zich zelfstandig verder ontwikkelen als kunstenaar. Hij
wisselde met plezier het vrije werk af met bescheiden opdrachten van
particulieren. Zijn werk ontwikkelde zich binnen enkele jaren van een
vorm van expressionisme via lyrische abstractie tot performances en
projecten. Belangrijke invloeden kwamen aanvankelijk van COBRA-schilders
als Asger Jorn, Karel Appel en Corneille. Ook begon hij flarden tekst in
zijn afbeeldingen te verwerken. Tijdens een verblijf in Amsterdam leerde hij de Franse schilderes en etser Elisabeth Bonvarlet kennen. Hij logeerde lange periodes bij haar in achtereenvolgens Chartres, Parijs en Lille. Dit resulteerde in gezamenlijk schilderen, soms aan één doek, en het organiseren van tentoonstellingen. Samen ook ontdekten ze de kracht van het werk van de eveneens in Frankrijk actieve Bram van Velde, die hen inzicht in lyrische abstractie verschafte. Een tijdlang werkte Albert Hagenaars toen non-figuratief en werd zijn verfbehandeling veel spaarzamer. Eind 1977 had hij samen met Elisabeth Bonvarlet en Bert Bevers een
eerste expositie in de Ancienne Chapelle in de stad Dreux, zestig
kilometer ten westen van Parijs. Ondertussen had hij enkele kleinere exposities en was hij ook actief voor het door hem opgezette KAK (Kultureel Advies Kantoor). Zo voerde hij onder meer een performance uit met Jan Fabre (in Antwerpen) en eenmansoptredens in de openbare ruimte in o.m. Amsterdam, Brussel, Düsseldorf, Keulen, Parijs en New York, in het kader van zogenoemde City Art Projects.
Hij besloot om diverse redenen te stoppen met schilderen en alleen literair verder te gaan. Het ter gelegenheid daarvan geschilderde grote paneel, 'La toile de l'adieu' was te zien tijdens een tentoonstelling in museum Het Markiezenhof. De allerlaatste activiteit was een performance op straat in 1982 in New York. In deze periode ontstonden ook de gedichten van Linguisticum, die eveneens symbool staan voor zowel een einde als een nieuw begin.
In
1986 vervaardigde hij op verzoek van Uitgeverij In de Knipscheer te
Amsterdam een serie van 41 met waterverf gekleurde tekeningen, elk voor
een exemplaar van de bibliofiele editie van de gedichtenbundel
‘Intriges’, waarvan 26 exx. voorzien werden van de letters A t/m Z
en 15 (hors commerce) van I t/m XV. (Enkele
afbeeldingen worden in het najaar van 2008 opgenomen). Een deel van zijn schilderijen, tekeningen en documentatie bleef bewaard. Dat werk wordt op dit moment verzameld op deze site. De eerste afbeeldingen staan voorlopig hieronder. |
||||||||
|
HET OVERGEBLEVEN WERK -
Pagina in ontwikkeling
|