index
 

IK WIL GEEN AANGENAME POËZIE SCHRIJVEN
Door: Frank Pollet  

Het moet in 1980 geweest zijn dat ik een postpakket van een Nederlander ontving. In een briefje stelde de noorderbuur, ene Albert Hagenaars uit Bergen op Zoom, voor om onze debuutbundels te ruilen. Meteen had hij er, nogal opdringerig vond ik, zijn dichtbundel ‘Stadskoorts’ bijgevoegd. Ik vond het een erg zwakke bundel, maar dat durfde ik hem toen niet te schrijven. Wel stuurde ik hem mijn debuut. Nu, bijna een kwarteeuw later, heeft Albert Hagenaars net zijn vierde bundel gepubliceerd. Weer heb ik ’m in de bus gekregen, omdat we sinds 1980 zijn blijven ruilen...

Een mooi, dik, boek...

Ja, ik ben er echt heel tevreden mee. Mijn uitgever heeft goed voor me gezorgd. Ik stuurde het manuscript naar Uitgeverij In de Knipscheer op en het was meteen raak. Na zeventien jaar...

 

Ja, tussen de nieuwe ‘Tropendrift’ en je vorige bundel ‘Intriges’ liggen liefst zeventien jaren. Ledigheid is des duivels oorkussen!

Ik heb me nochtans uit de naad gewerkt. Ik had een bedrijf, Fluent Business, waarin ik zeer veel tijd en energie heb geïnvesteerd. Het was een vertaalbureau en we gaven cursussen aan anderstaligen, maar het bleek teveel een aanslag op mijn creativiteit. Bovendien ben ik geen man die iets heeft met de papierwinkel van een bedrijf. Het is goed dat ik die zaak niet meer hoef te runnen.

 

Je geeft enkel nog les, nu...

Ja, twaalf uur Nederlands aan anderstaligen, zalig. En voldoende. Ik heb geen duur huis dat ik moet afbetalen. Met mijn inkomen kan ik ook nog reizen. Na het avontuur met mijn firma heb ik me voorgenomen dat creativiteit op de eerste plaats komt. Maar dat lesgeven is ook mijn lust en mijn leven. In zo’n groepje van pakweg vijftien cursisten zitten vaak tien of twaalf verschillende nationaliteiten. Heel boeiend. Ik doe dat al lang trouwens en ik heb dit soort onderwijs zien evolueren van gastarbeiders die Nederlands wilden leren tot nu goed opgeleide mensen, vaak politieke vluchtelingen, gemotiveerde mensen die Staatsexamen willen doen. Het is verrijkend voor beide partijen.

 

Naast dichter ben je ook recensent.

Mijn dagen zijn gevuld. Ik ben de poëzierecensent van de Haagsche Courant, Jaap Goedegebuure neemt daar het proza voor zijn rekening. Ze sturen me bundels toe, waaruit ik een selectie maak. Interessant werk. En voor de Nederlandse bibliotheekdienst recenseer ik poëzie, moderne kunst en soms ‘gekke boeken’.

 

Mooie collectie poëzie heb jij dus.

Dat mag je zeggen; wat hier in de kamer staat, is trouwens maar een fractie van wat ik aan poëzie bezit. Poëzie komt hier in stromen het huis binnen. Door de jaren heen heb ik daardoor ook een redelijk inzicht in de trends gekregen én dat zorgt dan weer voor een betere kijk op mijn eigen werk.

 

Dat inzicht spruit natuurlijk ook voort uit je bezigheden als uitgever (van poëzieuitgeverij Wel die o.a. bundels publiceerde van Victor Vroomkoning, Rogi Wieg, Johanna Kruit...)

Ja, als uitgever stroop ik beurzen en manifestaties af, en ken ik zo veel dichters en organisatoren. Wel is een kleine uitgeverij, maar we krijgen toch jaarlijks gemiddeld zo’n 200 manuscripten binnen. 99 procent daarvan is slecht, we geven dan ook weinig uit, de lat ligt intussen vrij hoog, de spoeling wordt dunner en dunner. Je hebt er trouwens geen idee van hoe weinig dichters echt zicht hebben op wat er in het boekenvak gebeurt. Mensen die nog helemaal niets bewezen hebben en ons een manuscript sturen, maken in hun begeleidend schrijven al melding van hoe hun copyright en honorarium geregeld moeten worden! Of ze hebben totaal geen idee wat Wel publiceert. Ik zou, als ik naar een uitgeverij opstuurde, toch minstens een paar bundels lezen, om te zien of mijn werk wel past in dat fonds.

 

‘Tropendrift’ past dus perfect bij wat In de Knipscheer brengt...

Exact! In de Knipscheer is uitermate multicultureel bezig, en mijn leven wordt door vreemde culturen beheerst. Alleen al wonen in Bergen op Zoom is multicultureel. Weet je dat hier in de stad 21 procent buitenlanders gehuisvest zijn? Hier zijn twee moskeeën, talloze Marokkaanse koffiehuizen, Turkse winkels en bijvoorbeeld een grote Chinese gemeenschap. Links van me zit een Japans restaurant, rechts een Ierse pub met eetgelegenheid en tegenover me is een Mexicaans restaurant. Als leraar krijg ik vreemde culturen op bezoek, wanneer ik op reis ga, zoek ik vreemde culturen op. Ook mijn privé-leven is steeds gekleurd geweest: ik heb tien jaar samengewoond met Mona, de Indische vrouw aan wie ‘Tropendrift’ is opgedragen, en ik was vijf jaar samen met LaiLai, een Chinese uit Hongkong. Niet dat het allemaal eenvoudig is, maar het is wel verrijkend. Op die manier voel ik me als een vis in het water. De verhalen van die vluchtelingen bijvoorbeeld inspireren, dat is van invloed op mijn boeken. In m’n romans, ‘Dood Tij’ en ‘Butijn, Het Boze oog’ spelen interculturele relaties een centrale rol.

 

Kennen jouw cursisten je werk?

Ik had over ‘Tropendrift’ helemaal niets gezegd, maar enkelen hadden mijn bundel gekocht en kwamen ermee naar de cursus. Dat was ontroerend. Natuurlijk reageerden met name Indonesische en Japanse cursisten.

 

Dat heeft alles te maken met de thematiek van je bundel.

Ja, toen ik pas met Mona was, zijn we samen met haar ouders naar Indonesië geweest. Die eerste keer, in 1983, was al geen vrijblijvend toeristisch reisje, want we bezochten ook het kamp waarin Mona’s vader als kind zat. Nou, de reacties van die mensen hebben mij diep geraakt, zo zeer dat het me sindsdien niet meer losgelaten heeft. Dát bezoek was voor mij de initiatie, daar ging Azië, het Oosten, voor mij open. Mijn pa had drie jaar in Duitsland in een kamp doorgebracht, maar die wilde daar nooit over praten. Mona’s vader wel. Als je in zo’n kamp komt, en die man bréékt waar je bij staat, dan is dat zo’n harde confrontatie, dat je er alles over wil weten. Het gedicht ‘Japans Kamp’ gaat daarover, dat is een cruciaal gedicht. Het toont dat je door het verleden naar het heden moet. In Nederland rustte jarenlang een taboe op de post-koloniale strijd in Indonesië. De Nederlandse rol was niet fraai. Dat begon al met de genocide van de bevolking van de Banda’s, onder verantwoordelijkheid van oorlogsmisdadiger Jan Pieterszoon Coen. Bovendien hadden de Nederlanders thuis genoeg afgezien met de Duitsers, stond hun kop niet naar gruwelverhalen van repatrianten.

 

Er zit nogal wat geschiedenis in je boek...

Zeker, er zit heel veel informatie in over de Nederlandse, Europese en Aziatische geschiedenis, het boek staat bol van de wisselwerking tussen West en Oost...

 

... met heel veel begrip voor het Oosten...

Dat komt doordat ik zelf een klein stukje oosters geworden ben. Dat kan ook niet anders, door mijn besef van de situaties ginder, en de liefde voor die landen, en mijn relaties. En alles bij elkaar verbleef ik er een paar jaar. In mij is het gaan botsen door die confrontatie. Je kunt onmogelijk jezelf blijven. En ik wil, ik móet die onmenselijkheden in m’n werk betrekken!

 

Maar kies je daartoe niet het verkeerde medium? Bereik je met poëzie niet te weinig mensen om...

... ik wil aandacht  vragen voor relatief onbekende drama’s in de geschiedenis. De postkoloniale oorlog in Indonesië is ingrijpend geweest. Weet je dat er in de periode 1945–1949 honderdduizenden Nederlandse soldaten in Indonesië waren?! En honderdduizenden Nederlanders en Indo’s zaten daarvoor al in honderden kampen. Hier blijf ik mee bezig, ik kom ook vaak in Zuidoost-Azië. De slachtoffers kampen vaak met het onvermogen om te reconstrueren, want de feiten zijn niet meer alle controleerbaar, en zij hebben bizarre dingen meegemaakt. Velen hebben niet het vermogen om tot eensluidende conclusies te komen over deze traumatische ervaringen. Die oorlogen in Indonesië zijn slechts enkele voorbeelden, we zien alle dagen oorlog. Gisteren zijn nog Nederlandse militairen in Irak beschoten...

 

Je gebruikt de oorlog in Indonesië ook als metafoor.

Ja, natuurlijk. Veel dichters schrijven over de natuur, of verliefdheid, ik gebruik de situatie die ik daarnet heb uiteengezet als symbool voor de condition humaine. Ik probeer om tegenstrijdige visies te onderzoeken, mijn poëzie is ook een proces om tegenstrijdige standpunten over dezelfde gebeurtenissen te combineren. Dat is voor mij belangrijk, ik moet versmelten, syntheses maken. Dat is ook merkbaar in de taal. Ik wil taal die inhoud genereert want ik heb een verhaal te vertellen. Ik wil persoonlijke geschiedenissen én de algemene historie verbinden met bijvoorbeeld de inzet van krijgsgevangenen aan de Birma spoorlijn, de slachtingen tijdens de coup van Suharto, de Vietnam-oorlog, die het belangrijkste conflict tijdens mijn jeugd was, elke dag op tv te volgen.


Foto: Frank Pollet

Een geschiedenisboek en een atlas zijn nuttige instrumenten bij het lezen van ‘Tropendrift’.

Dat schreef Yvonne Né in BN/De Stem ook. Maar ze concludeerde, en terecht, dat de sleutel elders ligt. Het gaat me meer om bijvoorbeeld de invloed die het verleden van ouders uitoefent op het leven van hun kinderen, het besef dat geweld en pijn niet stoppen zodra er een vredesakkoord gesloten wordt.

 

‘Tropendrift’ is op alle vlakken tegengesteld aan bijvoorbeeld de slotcyclus uit je vorige bundel, ‘Intriges’! Ik citeer:

‘Weer eenzelfde grens. / Dezelfde natuurlijk. // Terug, want erlangs / gaat ook er over niets. // Taaltekens worden grenstekens, / verplaats ik de woorden / tot hier.’ Linguisticum IX (uit INTRIGES)

Je zou inderdaad kunnen zeggen dat in die zin ‘Tropendrift’ een reactie is op ‘Linguisticum’, de slotcyclus van ‘Intriges’. Die gedichten gingen enkel nog over taal, over mechanismen. Ik was daarin compleet vastgelopen, ik moest weer leven, hét leven, in mijn poëzie brengen. Ik was tegen de muur van het wit geknald.

 

Houden die zeventien jaar zwijgen daarmee verband?

Natuurlijk ook daarmee ja, ik moest de software én de hardware opnieuw uitvinden, om de weg terug te kunnen gaan.

 

Een drastische, maar logische stap, dus... Zitten er volgens jou nog meer logische stappen in je evolutie als dichter?

Het gaat mij om these, antithese en synthese. In mijn debuut zat enkel emotie, ik had toen nog geen vormkracht. Ik schreef pure expressie, ongecontroleerde emotie. Aanvankelijk zonder beïnvloed te zijn door Nederlandstalige dichters, want ik las die nauwelijks. Ik las vrijwel uitsluitend Franse poëzie. In de tweede en derde bundel, ‘Spertijd’ en ‘Intriges’ zit duidelijke reflectie op de vorm, met als puurste vorm de cyclus ‘Linguisticum’.

 

Faverey gluurde toen wel sterk van achter het hoekje...

Ja, ik vind Faverey één van onze topdichters. Maar ik heb ook invloed ondergaan, vooral tijdens gesprekken en correspondentie, van een Vlaamse dichter die intussen van het toneel verdwenen lijkt: Phil Cailliau.

 

Vind je het vervelend dat iemand je poëzie niet mooi vindt?

Nee, dat is eigenlijk een compliment. Ik wil immers geen aangename poëzie schrijven, ik schrijf poëzie die confronteert. Ik wil de schoonheid van de waarheid, van de essentie van de mens, géén mooischrijverij. Mijn lezer kan niet met mijn bundel in zijn fauteuil liggen te genieten met een glas wijn bij de hand. Ik schrijf over slaappillen, wapens, computervirussen, schuld...

 

Maar ook over de liefde.

Ja maar in minder verwachte bewoordingen. Over het dwangmatige van twee orgasmen die maar niet willen samenvallen, over vrijen op schurend lavazand. Geen zoete, softe verliefdheid, meer verontrusting dan blijdschap. Maar liefde blijft wel zalf, balsem. Dat houdt je overeind. Mijn vader hield het vol in de kampen door te denken aan zijn verloofde, die bij zijn terugkomst overigens al overleden bleek. Liefde kan ook ontaarden in een machtsstrijd die seksueel uitgevochten wordt.

 

Op je cover staat een beeld van de Borobudur

Die Javaanse tempel is geen oord om tot een godheid te bidden, maar met die duizenden gebeeldhouwde tableaus een spiegel die mensen met zichzelf confronteert. Dat proberen de gedichten, tableaus van taal, ook. Het contrast van de liefde zit in de afbeelding op de omslag: een man en een vrouw trekken elkaar aan en stoten elkaar tegelijkertijd af.

 

Je bundel heeft zelfs de structuur van de Borobudur.

Ja, dit heiligdom heeft een strakke geometrische constructie. Wanneer je de Borobudur aan alle kanten bekijkt, komen steeds de drie grondvormen op: de cirkel, het vierkant en de driehoek. Wanneer je voor de tempel staat, zie je een driehoek, van boven af gezien is het een vierkant waarin je heel duidelijk een aantal cirkels opmerkt. En er is de stoepa die bovenaan alles als het ware bekroont. Ook in de bundel vind je die grondvormen terug.

 

Het zijn er niet toevallig drie. Dat getal keert op alle vlakken weer.

Zeker. Mijn gedichten bestaan uit drie strofen, drie kwatrijnen en moesten als de tableaus een identieke vorm krijgen. Die tempel heeft drie sferen: die van de stervelingen, van de gezuiverden en de goden. Ik heb alledrie de sferen in mijn bundel gebruikt.

 

Er zijn ook drie hoofdpersonen.

Klopt: een vader, een dochter en een minnaar en dat drietal staat in allerlei variaties onderling in verbinding, maar steeds harmoniërend én conflicterend. De vader en de dochter zijn familieleden, in hun relatie tot de buitenstaander; vader en minnaar zijn mannen, tegenover de vrouw, en vrouw en minnaar zijn van dezelfde generatie, wat dan weer tegenover de oudere vader staat. Nog meer drievuldigheden in de bundel... Ja, de drie tijden: heden, verleden en toekomst. En natuurlijk ook de drie themavelden: politiek, liefde en religie. Het geloof valt op zijn beurt ook in drie onderdelen uiteen: Islam, Christendom en Boeddhisme.

 

Je maakt het je lezer niet gemakkelijk. Toen ik de bundel begon te lezen, had ik het idee dat ik heel toegankelijke poëzie las, maar na een paar gedichten kreeg ik de indruk dat ik niet meer las wat ik een gedicht ervoor meende gelezen te hebben. Je personages...

... verschuiven, wil je zeggen?

 

Hm... zoiets, ja...

Dan heb je goed gelezen. Ik speel met de persoonlijke voornaamwoorden. Ik schuif er als het ware mee. Je leest bijvoorbeeld een gedicht met het idee dat de ‘jij’ een minnares is. Maar wanneer je bij die ‘jij’ de moeder had geïnterpreteerd, kan dat ook. Alleen verandert dan het gedicht, verschuift de hele betekenis. Er zijn ook regels waarin ik ineens het perspectief van een Japanse soldaat tijdens de definitieve aanval op Singapore gebruik. Poëzie is interactief taalgebruik, niet?

 

Eh... ja. Ja, natuurlijk.

Interactiever dan proza wat mij betreft. Ik heb geprobeerd aan die interactiviteit een dimensie toe te voegen. Ik dwing de lezer om in het krachtenveld keuzes te maken. Hij kan voor een personage kiezen. Hierdoor wordt het perspectief anders, en dus wijzigt ook de interpretatie. Dit zijn geen stabiele teksten! Ze lokken tegenstrijdige reacties uit. ’t Is natuurlijk vaak ook voor of tegen.

 

Toch heb ik slechts één negatieve recensie gelezen.

Ja, de meeste recensenten reageren, verrassend genoeg, overwegend positief.

 

Je zei daarnet dat de Borobudur de mens met zichzelf wil confronteren en dat jouw bundel een soort Borobudur wil zijn.

Dat is zo. Kijk, mijn partners waren als mensen tussen verschillende culturen steeds heel erg bezig met hun identiteit. Net als ik, trouwens. Maar ik vraag me in de bundel ook af wat het is om een dichter in deze eeuw te zijn. Wat heeft een dichter in deze maatschappij te betekenen wanneer zijn boekjes op 500 exemplaren worden gedrukt?

 

Vind je ’t frustrerend?

Nee, het is niet anders, ik vraag het me gewoon af.

 

Over frustraties –of het ontbreken ervan– gesproken: in je vorige bundels was erotiek een belangrijk thema. Het zit er ook nu weer in.

Natuurlijk. Kijk bijvoorbeeld naar de laatste regels van het laatste vers dat over een ontmoeting met jonge Boeddhistische monniken in een Thais museum over de brug over de Kwai gaat ‘Ik lach mee, / maar de pen is weer al niet meer te houden.’

 

De pen of de...

... penis!? Ja! Er zit veel seks in dit boek. Ook de penis is een manier om, via het orgasme, behalve met de ander ook met jezelf samen te vallen. De kleine dood, zoals de Fransen zeggen, het sublieme moment waarin je jezelf opheft en opnieuw begint te leven. Waarom sekst de mens? Niet alleen om te minnen maar onder andere ook om onlustgevoelens kwijt te raken. Wat doe je als je gestresst bent?

 

Eh...

Je kunt een douche nemen of hardlopen maar je kunt ook vrijen. Die stress verdwijnt, er vloeit iets weg uit je. Seks heeft niet altijd met liefde te maken, seks is soms ook alleen lust, de roes in duiken om even aan de werkelijkheid te ontsnappen. Die functies heeft seks eveneens in mijn bundel. Maar seks stuwt ook generaties voort. Het is één van de grote krachten in de wereld. Ik verwijs in het boek ook naar de verkrachtingen in de Jappenkampen. Tegelijkertijd plaats ik het op een hoger plan: Japan en Nederland hebben Indonesië verkracht. Ik had dus een seksuele taal nodig om dit uit te drukken.

 

Seksuele taal om ook een politieke boodschap uit te dragen?

Ja, er zit veel politiek in deze bundel... Heel veel politiek...

 

‘Tropendrift’, de titel is een neologisme. Had je hem van bij het begin toen je aan de bundel begon te werken?

Nee, de bundel heeft misschien wel vijftig titels gehad. Aanvankelijk heette hij bijvoorbeeld ‘Archipel’, later ‘Borobudur’, maar er zijn al boeken met die titels. Uiteindelijk is het ‘Tropendrift’ geworden: tropen om evidente redenen, en drift, in het Engels heeft dat twee tegengestelde betekenissen, enerzijds het werkwoord dat passiviteit uitdrukt, anderzijds het actieve zelfstandige naamwoord, met de seksuele lading. Dus heb ik met die titel toch de tegenstelling tussen het passieve van het oosten en het driftige van het westen gevat. Europeanen die voor het eerst naar Indonesië gaan beleven een soort schok wanneer ze geconfronteerd worden met de passieve krachten, die ze dan uit onbegrip mysterieus noemen.

Volgens de dichter Scott Rollins, die de Engelse vertaling voorlas tijdens de presentatie in Perdu in Amsterdam, betekent ‘drift’ in het Amerikaans Engels ook nog ‘kern’. Dat was ook goed om te horen.

 

De koper van ‘Tropendrift’ krijgt er, bij wijze van spreken, ‘Tropical Drift’, de vertaalde bundel, lekker gratis bij.

Ja, ik had het liefst ook de Engelstalige gedichten erbij.

 

Waarom?

Toevallig ken ik via via John Irons, de officiële vertaler van onder andere Claus en Komrij. Hij had eerder vertaalde gedichten van me gelezen, de bundel ‘Spertijd/Curfew’ in een vertaling van Catherine East, en hij stuurde toen spontaan zijn reactie. John vond de vertaling goed gemaakt, maar meldde dat hij het zelf toch hier en daar anders had gedaan. Toen stuurde hij spontaan enkele eigen versies op. Die vond ik zo boeiend dat ik hem enkele gedichten uit ‘Tropendrift’ zond. Bijna per kerende stuurde hij me daarvan zijn vertaling op. Toen de uitgever al had ingestemd met de uitgave van de bundel vroeg ik of ze interesse hadden om ook de Engelstalige versie op te nemen in het boek. Tot mijn opluchting stemde Franc Knipscheer meteen in.

 

Hagenaars goes international?

Ach, die bundel wordt nu via een netwerk van kleine organisaties en privé-contacten verspreid, je hoeft je daar niet teveel bij voor te stellen. Trouwens, ik heb nog een leuke primeur: onlangs vernam ik dat de zoon van Sandi Stromberg (die Linguisticum vertaalde en in Amerika liet publiceren), Dirk Stromberg (een componist van experimentele muziek in New York maar actief in Den Haag en bevriend met Louis Andriessen) van ‘Tropendrift’ een muzikale interpretatie gaat maken. Ik vind dat boeiend, bij de cyclus ‘Linguitsicum’ gebeurde het ook dat diverse kunstenaars zich erdoor lieten inspireren: toen waren er bijvoorbeeld een choreografie van Anne-Louise Beenen en de cd met muziek van Jan Walravens. Dat ‘Tropendrift’ nu ook in meerdere genres een eigen leven gaat leiden, is mooi. Toch?

 

 

DE 4 GEKOZEN GEDICHTEN:


KUALA LUMPUR

Stad van trage stonden, genoemd naar modder-
stromen die, als wij, hier zwijgend samenkomen.
Stad in de klem van blonde klerken vol heimwee,
genomen door mijnwerkers uit heel Azië.

Kleren plakken er aan het lijf, zoals in ons huis
met de rolluiken, die dicht moesten blijven van jou.
Net als daar: grijze lucht, strakgespannen vlies.
De droge tikken vanaf het cricketveld; hoofden

rollen in manden. Verdwalen verheldert. In de som
van misverstanden, in de Brickfields van Indiatown,
kniel ik voor het neon van een gebiedende taal,
delf ik naar tin in jouw uitgeputte schoot  

 

JAPANS KAMP III

Het heden niet meer te helen: ‘Ietsjie, nie,
san, sjie, go,’ prevelt hij plots, telt hij meer
afranselingen, steeds minder wachtende moeders,
en het klopt maar niet, zal nooit meer kloppen.

Drijf ik daarom jou nog diezelfde nacht
vergeefs op tot een gelijktijdig hoogtepunt,
beveel ik tot m’n oren suizen, het muskietennet valt,
hetzelfde zure zweet je uitbreekt als hem?

Een oude man houdt op oud en man te zijn,
het stervend kind in hem neemt het over:
‘Hier hing de vlag, moest mammie blijven buigen.’
Op het plein stampen broze vrouwen nu de rijst.

DE GODIN VAN DE LIEFDE I  

‘Ik ben van ver gekomen, op een stroom
van talloze liefdes.’ Gehouwen uit de steen
die als een tong van lava in de velden drong,
opent ze, brekend vuur, haar lippen vol gram

en staart me met mos en mest op haar ogen
verblindend aan: de haastige handelingen
in parkings en parken, liften en luxe kamers.
Waar ook: kuchend van de astma bereed je me.

‘En jij, ook jij kwam van ver, uit een droom
over de boom des levens. En over vallen.’
Geritsel in haar keel, gehijg uit de hoorn.
Ik bestijg de trap, verneder me. Nader haar.

 

BRUG OVER DE KWAI I: KANCHANABURI

Voor ons ligt, samengesteld uit uit Indië
geroofde bruggen, de brug waarvan elke
nagel nog steeds in nachten van oude mannen
wordt geslagen. Met jou beklemd naast me

hoor ik ze liggen luisteren naar het hameren
op de slaap. Bevelen schallen over het water.
In echo’s de broze stem van opa, en de boze
van zijn zoon die jou er tot bloedens mee sloeg

toen je koos voor mij. Sindsdien het bedrog:
een film, een gedicht, zijn zware hand
op de mijne in jouw geslacht. En dieper nog,
het malen in de politieke trog. Het vermalen.


Poëziekrant

index