| EEN RECYCLIST IN VOL ORNAAT |
|
Het
gebeurt niet alleen op de markt maar ook in de boekwinkel! De laatste
jaren worden we steeds vaker verwend met meertalige bundels. Paul Claes
deed ook een duit in dat al luider rinkelende zakje, en terecht, want
als iemand zich lange tijd door andere talen en culturen liet
doordesemen dan wel een ouwe rot op vertaalgebied als deze 57-jarige
medewerker van de Leuvense universiteit. Hij vertaalde werk van o.m.
Catullus, Rimbaud, Mallarmé en, samen met Mon Nys, Joyce, won voorts
terecht de prestigieuze Nijhoff-prijs (in 1996) en herschreef in De
Phoenix, die bol staat van pastiches en verwijzingen naar de
klassieke letteren en hem aan een Libris-nominatie hielp, het leven van
de 15e-eeuwse Italiaanse denker Picodella Mirandola. Ik noem
deze roman alleen al omdat hier het thema opduikt dat ook in zijn nieuwe
poëziebundel een grote rol speelt: de tegenstelling tussen de klassieke
en moderne westerse samenleving: het ene ongebroken wereldbeeld
tegenover de versplinterde beleving van de realiteit waaraan wij onze
kicks ontlenen. De
titel van zijn recent verschenen Glans/Feux – gedichten/poèmes
geeft het al aan, het gaat om poëzie in het Nederlands en het Frans
maar de betreffende gedichten zijn geen directe vertalingen. Anders zou
de bundel ook wel Glans/Clarté of Glans/Lueur of Glans/Brillance
geheten hebben. Feux
is ouder; deze reeks verscheen al in 1992 in een bibliofiele editie bij
De Diamant Pers. Glans verscheen vorig jaar bij Regulieren
Uitgeverij, eveneens in een beperkte oplage. Mede omdat in de hele
bundel de Franse teksten steeds op de linkerbladzijde staan en de
Nederlandse rechts, had het boekje beter Feux/Glans kunnen heten. Maar
dit terzijde. Glans/Feux biedt gedichten die tweemaal maar
telkens vanuit verschillend gezichtspunt verteld worden. Dante en
Rimbaud komen ook nog om het hoekje kijken want Glans/Feux
bestaat uit 3 delen: Destruction / Vernietiging, Purification /
Zuivering en Illumination / Verlichting. Inhoudelijk
leefde Claes zich opnieuw uit in het reusachtige bestand van Griekse
mythen. De uitgever was zo verstandig achterin 6 blz. met
verduidelijkingen over o.a. Iocaste, Antaeus, Gorgo en Semele (elk
Nederlands gedicht komt aan bod) op te nemen. Daar werd goed over
nagedacht, want in elk stukje wordt meteen naar het corresponderende
vers in het Frans verwezen. De extra informatie moest aan de Nederlandse
titels gekoppeld worden, omdat die alle de naam van een personage
dragen. De
Franse titels luiden o.a. La Loi, La Vierge, La Reine en Actéon. Wie
deze laatste naam niet kent, zoeke achterin bij het parallelle vers
Artemis. Het is dus wel een bundel met een gebruiksaanwijzing maar wat
is daarop tegen? Mij hoor je niet klagen; ik houd wel van enig gefröbel. Qua
vorm rijgt Claes zich in twee korsetten: voor het Frans in sonnetten van
ultrakorte regels die slechts twee en drie lettergrepen per vers tellen,
voor het Nederlands in kwatrijnen, bestaande uit twee disticha, elk
gebaseerd op een hexameter en een pentameter, die Claes, jawel, netjes
bij de cesuur scheidt. De
keuze voor het sonnet was hoogst ongelukkig omdat de regels te kort zijn
om het onvermijdelijke en niet minder ongewenste effect van rijmdreun te
voorkomen. Bijkomend nadeel is dat Claes zich lang niet altijd een
gewiekste rijmelaar betoont: reeksen als vois-moi-toi en prendre-prétendre-tendre
verwacht je eerder bij de gemiddelde francofone puber. In zijn
Nederlands had het waarschijnlijk niet anders uitgepakt. Het is dan al
gauw een verademing om meer genuanceerde klanken te ontdekken als amante-tourmentent-patiente
en troublant-prend-flanc. Er is ook klankovereenkomst tussen
beide talen: La pêne (dat zowel een schoot is als een tong van een
slot) rijmt onopvallend op Penelope in het Nederlandse vers op de
buurbladzijde. Claes kán dus wel rijmen, hij was alleen te weinig
kritisch op te veel momenten. De
dubbele titel slaat niet alleen op de ‘afglans’ over en weer van
beide talen maar ook op allerlei andere spanningsvelden, bijvoorbeeld
die tussen man en vrouw, liefde en haat. De achterflap: antieke
mythologie verliest en ontdekt zich in moderne psychologie. Het is
vooral deze laatste tegenstelling die de bundel een grote meerwaarde
verleent en sterke en bitse regels oplevert: Vrouw het noodlot
verwikkelt / mijn lichaam en ziel in uw netwerk: / ver op mijn brandende
berg / bijt me uw bronstige kleed. De langere regels in het
Nederlands bieden veel mogelijkheden tot syntactische intriges en
drukken de Franse, kortademig als die zijn door hun gebrek aan
lettergrepen, nog verder in het defensief. Jammer, ik had het liever
andersom gezien. De bundel heeft niet genoeg evenwicht. Kijk maar: Je
vois / La scène / Obscène / En moi // Le roi / La reine / Thébaine /
Et toi en zo dreunt het verder: pom-pom, pom-pom-pom, pom-pom...(en
daar heb je Nijhoff weer)! Maar de Nederlandse verzen zijn.niet per
definitie beter. Regels als Moeder omsnoert me vergeefs / de hand van
de vader ontsnoert ons:/ twijfelend tussen de twee / snoeren ze beiden
mijn keel gaan ten onder in effectbejag. Op
dit punt is het Franse equivalent dan beter: Ton sein / De mère /
M’enserre / En vain // La main / D’un père / Desserre / Nos liens
// Que faire / Entre eux / si tous / les deux / Me serrent / Le cou?
Al was het maar omdat de
semantisch verbonden woorden dankzij het verticale ontwerp visueel
verder uit elkaar staan. Dat
je de meeste Franse teksten tóch herleest, heeft echter vooral te maken
met de indringende beelden, die hun felheid ontlenen aan erotiek en
geweld, vernieling en geboorte en al die andere oerervaringen. Het is
zelfs de grote verdienste van de beeldspraak dat die de beide luiken in
de lijst van één boek bijeenhoudt. De
vele spelletjes kennen evenmin een taalgrens. En Claes speelt heel wat
af, laat makkelijker meegenieten naarmate je dieper leest. Hij klopt
minstens zoveel betekenis uit woorden als verwijzingen uit situaties
maar niet vrijblijvend, meestal passen met een rekbaar
voorstellingsvermogen meerdere duidingen. Een ‘trame’ bijvoorbeeld
is niet alleen de inslag van een weefsel maar ook een kuiperij. En een
‘verge’ is behalve een bussel om mee te slaan ook een penis. De
associatie van een meppende piemel ligt dan binnen handbereik.
‘Illumination’ wordt gebruikt voor feestverlichting (Claes gaat het
theatrale nimmer uit de weg) maar ook voor een goddelijke ingeving! Het
woord geeft hem tevens de gelegenheid naar zijn idool uit Charleville te
verwijzen. Hij poetst een zegswijze als Au fur / Et à / Mesure
op die, geïsoleerd en als strofe vermomd, weer iets van z’n
oorspronkelijk kracht krijgt. Hij laat geen steken vallen of het moet
een enkel geval van overlapping zijn als in ‘Tendron d’enfance’. Gelukkig gaat hij zich in Glans/Feux niet te buiten aan pastiches. Die terughoudendheid zal hem moeilijk gevallen zijn want als je ziet, bijvoorbeeld in zijn bundel Mimicry, wat een meester Claes in dat genre is, kun je je makkelijk voorstellen hoeveel kansen hij heeft moeten laten schieten. Hoe serieus hij vergeleken met die taalgrollen uit 1995 ditmaal ook opereert, het kan niet verhullen dat hij veeleer een herschepper dan een schepper is. Leest u hierin vooral geen neerbuigendheid want ik lees liever het werk van een bedreven recyclist die mij met illustere schrijvers en personages in contact brengt dan dat van een oorspronkelijkheid nastrevend maar middelmatig talent. Paul Claes is dus een recyclist maar wel een in vol ornaat! Onze taal mag kronkelen van genot om door hem onder handen te worden genomen! |
|
|
|
Glans/Feux
– Paul Claes. Uitgeverij
De Bezige Bij, 2000. ISBN: 90-234-4800-6 Albert Hagenaars, juni 2000, Haagsche Courant |