ERIK LINDNER

 

OP HET BEHANG. 1992
Dit dunne (50 blz.) tellende boekje van de mij tot nu toe onbekende Erik Lindner vult een lacune. Er verschijnen heel wat boeken over poëzie, maar slechts weinig laten zoveel plezier zien en trekken zich zo weinig van de modieuze regeltjes aan. Lindner legt niet de minste verantwoording af. Hij banjert door het poëtisch landschap maar zorgt ervoor dat zijn rijkelijk met citaten en verwijzingen (naar o.a. Vestdijk, Rimbaud, Ducasse en Thomas Man) gevulde strooptocht geen moment verveelt. Zijn anti–intellectuele opstelling, onopgesmukte vlotte stijl en de snelle cadans van de in totaal 21 stukjes zorgen voor vaart en verrassing. De allereerste regel bijvoorbeeld: ‘Ik wil dat er twijfel bestaat over mijn integriteit’. Wat een verademing zoiets te kunnen lezen naast al die kloppende, gewichtige maar o zo voorzichtige en vooral zo serieuze andere boeken. Hopelijk is het voor veel lezers een eye–opener, niet in de laatste plaats voor talloze dichters in spé.

Nederlandse Bibliotheek Dienst

 

HET WOEDEN VAN ERIK LINDNER

Nederland is het dichtstbevolkte gebied van Europa. Het zou, gelet op het aantal verschijnende poëziebundels hier en elders, best kunnen dat ons landje ook de grootste densiteit van dichters kent, van bij erkende uitgeverijen publicerende dichters althans. Dat zijn er nog altijd zoveel dat je als bespreker regelmatig tegen verrassingen aanloopt en meestal betreft het dan werk van minder bekende schrijvers.

Ditmaal biedt Erik Lindner (Den Haag, º1968) met ‘Tafel’ (kan een titel simpeler, prozaïscher?) zo’n verrassing. Het is een dichter die duidelijk z’n eigen weg gaat, geen bent geloofsgenoten als basis of katapult nodig heeft en langzaam maar zeker serieuzer genomen moet worden. Hij publiceerde sinds zijn debuut in 1985 een handvol titels, de eerste nog in eigen beheer, waaronder de essaybundel ‘Op het behang’. Daarin staat de terechte en opmerkelijke uitspraak: De dichter moet niet denken dat hij een chroniqueur of verslaggever is. Dan is hij hopeloos verloren. Terecht, omdat een dichter evenmin als bijvoorbeeld een fotograaf kan volstaan met de weergave van de werkelijkheid, hij moet uiteraard een meerwaarde geven. Opmerkelijk, omdat zijn nieuwe bundel ‘Tafel’ bij eerste lezing juist vol lijkt te staan met observaties! Hele strofen zijn daaraan gewijd. Het zou trouwens niet voor het eerst zijn dat de kritiek hem hiervoor aan de dichterlijke panden trekt. Hoe zit het met deze tegenstrijdigheid?

Lindner gaat inderdaad uit van de dagelijkse realiteit, een trek die zeer wel in de Nederlandse traditie past. Hij past echter allerlei kleine geraffineerde verschuivingen toe die grote gevolgen hebben. Bijvoorbeeld in het typerende fragment: Een man eet een appel in het park / en de bomen buigen om hem heen / het gras is uit de stammen gelopen / het verdringt zich rond zijn voeten / de vijver duwt planten op de oever / de man neemt een hap uit de appel. Al in de 2e regel wordt de relatie tussen subject en object op losse schroeven gezet. De man is actief maar ondergaat meteen daarop een handeling. Is er dan een causaal verband? Hoe verhoudt zich het fruit tot zijn afkomst, is met andere woorden een appel nog wel een stukje boom? Wordt de man wellicht ook een stukje boom, of andersom? In de derde regel word je pas echt gedwongen na te denken want hoezo: gras uit de stammen? Wanneer groeit er gras in stammen? Bedoelt Lindner wel boomstammen? En zo ja, zou het gras uit liggende, dode stammen gelopen zijn? Waarom ligt het dan niet gebroken op de grond maar verdringt het zich rond zijn voeten? En hoe kan water planten opduwen, dat zou dan toch de werking van de wind of een andere invloed moeten zijn? Elk mogelijk antwoord roept onmiddellijk nieuwe vragen op. Regel 6 richt zich weer op de man die een appel eet maar deze bezigheid wordt nu gepreciseerd, in elk geval anders omschreven, ditmaal neemt hij een hap uit de appel. Relevante vraag hier: gaat het dankzij een flashback om hetzelfde moment, de 1e regel (dan zou er geen tijdsverloop zijn terwijl dingen toch gebeuren), of om een volgende stap in een ontwikkeling?

Linders poëzie is geladen met dit soort aanslagen op een ongestoord leespatroon, hij veroorzaakt constant twijfel en onzekerheid en weet het zo te spelen dat de lezer eerder bij zichzelf te rade moet dan bij de dichter, die in de bundel hoe dan ook onzichtbaar lijkt. De meest voorkomende persoonlijke voornaamwoorden zijn een ‘hij’ en ‘zij’, die telkenmale andere gestalten aannemen en de enkele keer dat een ik-personage aan bod komt, luidt het: Het is dit woord dat liegt, niet ik, weet je / wat – wat heb ik er mee te maken? / Ik ben die jongen die telkens verdwijnt / Ik ben de tweeling in haar armen. Of je zoiets nu mooi vindt of niet, feit is dat zulke regels en beelden fascineren. Soms is er overeenkomst met Hans Faverey. Lindners grote kracht is ook nog, mede dank zij zijn parlando, dat alles in eerste instantie vanzelfsprekend overkomt. Hij is in staat, en dat is een van de voorwaarden voor geslaagde poëzie, een autonome wereld op te roepen, zonder met gezochte beeldspraak om zich heen te slaan, zonder te verwijzen naar geheimen elders en zonder lezers van zich af te stoten door een zogenaamd originele zegging. Er woeden krachten in zijn gedichten als windvlagen in een kruin; het zijn dezelfde wind en boom en toch zien de bladerpartijen er telkens anders uit.

‘Tafel’ is een bundel die je kunt blijven lezen, vrijwel elk gedicht biedt talrijke perspectieven. De man neemt een hap uit de appel / en laat die op zijn tong kantelen / zuigt het vocht eruit en vermaalt / de vijver… ‘Tafel’ is met z’n amper 18 teksten een buitengewoon rijk boek!

 

 

Erik Lindner: ‘Tafel’. Uitgever: De Bezige Bij. Prijs:16,50  

Albert Hagenaars, maart 2005, Haagsche Courant