|
WIE HEEFT EEN MIDDELPUNT NODIG Anouk Smies (1975) is een
dichteres in hart en nieren. Niet voor niets heeft zij aandacht voor een
beeldspraak waar lichamelijkheid een grote rol in speelt. Al na drie
pagina’s heb je bij elkaar: gezicht, kittelaar, baarmoeder, benen,
strottenhoofd, handen, adamsappel, wangen, huid, plus woorden die
sensitiviteit uitdrukken: pijn, hoogtepunt, krabben, lik, reuk, slik,
geil. Haar poëzie valt ook op door vervlechting van verschillende
registers, die dankzij niet aflatende associaties nog extra zeggingskracht
krijgen. Dat levert niet altijd geslaagde poëzie op maar getuigt van
taalplezier en houdt ook een zekere spanning in stand. De meest
overtuigende regels zijn echter juist bedrieglijk eenvoudig verwoord: “Als
ik handen had / leerde ik ze strelen”. Zoiets dringt dieper door dan
effectbejag in de trant van “Denk
Catherine Keyl / Het lacht Robocopstyle / boven een beplate kin / Plezier
zo 2010”. Of de gedichten nu broeien, ontkiemen en zelfs durven te
mislukken; saai zijn ze nooit! Smies strooit voldoende talent rond, nu nog
de juiste dosering zoeken, de trefzekerheid vergroten. 2017
|