HET EERSTE GEDICHT, NO. 49


Door Chrétien Breukers | Permanente link

Vandaag het eerste gedicht uit de nieuwe bundel van Albert Hagenaars, Bloedkrans, een uitgave van In de Knipscheer. De uitgeverij meldt: "In het verhoopte midden van zijn leven gekomen, wilde Albert Hagenaars zich rekenschap geven van zowel zijn ervaringen als zijn poëtische ontwikkeling. In Bloedkrans brengt hij opnieuw liefde, lust en dood samen in een weefsel van herinneringen, ontmoetingen met andere culturen en religieuze verwijzingen." Het eerste gedicht uit de bundel lijkt daar inderdaad bij aan te knopen:

Witte donderdag 1955

De oorlog was koud, de fall-out
van atoomproef HA boven de woestijn
van Nevada verwoei over dit beloofde land,

over de oceaan, het gehavende Engeland
waar een nerveuze Lord Eden Churchill verving,
over de Noordzee, stakingen, gemor over geld.

Nog dichterbij, in de woonkamer, in het zichtveld
van de boogschutter uit het Zevende Huis,
zwoegde de vroedvrouw, met harde handen

zoekend naar het raken van taal en teken,
het breken van het vruchtwater dat om negen uur
in bloeddoordrenkte lappen werd bereikt.

Rood wordt roder op wit, paars met Pasen.
Moeders verse wond gaf zin aan mijn mond,
openend op een wereld van dwarse woorden.

Wat is dit voor gedicht? Ik lees en herlees het en dring er maar langzaam in door, in deze wereld van klanken en gedragen, maar niet archaïsche regels. Ik dreig zelfs meteen in het begin al te verzanden in details, want het woord 'atoomproef' zou, denk ik, 'kernproef' moeten zijn; maar dan mis je een (in dit gedicht belangrijk) binnenrijm. Dus waarschijnlijk gebruikte de dichter het woord met opzet. Het gedicht is rijk aan rijmklanken en alliteratie. De dichter van 'Witte Donderdag 1955' heeft zijn pen eens flink in de taal gedoopt en zet het het doek in brede streken op. Tegelijkertijd onderbreekt hij het ritme voortdurend, zodat je nergens de kans krijgt in die klankrijkdom te gaan zwelgen. Het is een gedicht van zang en syncopen. Het staat strak in de maat en loopt soms toch even uit de pas. Ik vind dat prettig en het getuigt, denk ik, van vakmanschap. Mooi is de manier waarop Hagenaars de fall-out van die atoomproef laat drijven richting Bergen op Zoom, dat op die manier ook ná de oorlog (die net koud is, net voorbij, maar ook: net het stadium van de koude oorlog ingegaan) verbonden is met de grote geschiedenis, die van Amerika, Engeland en de communistische landen in het Oosten van Europa. In twee strofes roept Hagenaars een voorbije geschiedenis op, en hij doet dat heel overtuigend. Lord Eden heeft in dit verband een omineuze naam: het klinkt alsof Hagenaars het heeft over het Eden van de naoorlogse periode, de periode na Churchill, een Eden dat echter al door 'de bom' wordt overschaduwd, want iedereen wist sinds Hiroshima en Nagasaki waar die toe in staat was. Het Eden ligt aan de overzijde, richting Engeland (en Amerika), maar de vraag is of we dat in dit gedicht nog mee gaan maken. Meer dan waarschijnlijk niet.

In strofe 3 en 4 maakt Hagenaars ineens een flinke beweging richting de woonkamer van het geboortehuis (van de dichter zelf, neem ik, misschien al te gemakzuchtig, aan). Let wel: het is Witte Donderdag, we zijn op de dag dat het Laatste Avondmaal wordt herdacht, de dag voordat de Verlosser de kruisdood zal sterven. En we zijn in, ik doe mijn best om biografie en tekst niet te verwarren, maar dat lukt niet, Bergen op Zoom. Wat gebeurt daar precies, "in het zichtveld / van de boogschutter uit het Zevende Huis"? Of nee, er is een vraag die daaraan voorafgaat: wat is het Zevende Huis? Verblind door de kennis die ik heb over de geboorte- en woonplaats van de dichter (Bergen op Zoom) kwam ik hier uit, bij dit huis (en dat terwijl ik van mezelf niets mag opzoeken, voor deze reeks). Van een boogschutter is in de omschrijving geen sprake. Astrologische kennis is mij geheel vreemd, dus het Zevende Huis in astrologische zin zou een optie zijn, maar ik weet niet welke.
We gaan terug, naar de woonkamer, die tijdelijk in gebruik is als kraamkamer, en vragen ons opnieuw af: Wat gebeurt daar precies, "in het zichtveld / van de boogschutter uit het Zevende Huis"? Daar: "zwoegde de vroedvrouw, met harde handen // zoekend naar het raken van taal en teken, / het breken van het vruchtwater dat om negen uur / in bloeddoordrenkte lappen werd bereikt."
Dit woordenspel met het Laatste Avondmaal, met die liturgische zin over "taal en teken" en het woord "breken", ze werken allemaal toe naar het bloed in de slotregel, het bloed dat hier niet wordt vergoten, maar overhandigd aan de moeder, samen met het nieuwe leven. Hagenaars vertelt een omgekeerd avondmaalsverhaal: niet over de naderende dood en het herdenken van het offer wordt hier verteld, maar over het nieuwe leven. En in feite verbindt dat het verhaal dat Hagenaars vertelt juist weer wél met dat van het Laatste Avondmaal, dat ook een verhaal van leven is (als ik het goed heb begrepen).

In de slotstrofe komt de offermetafoor wel aan bod. Daarin wordt het offer dat de moeder zich getroostte (met als resultaat een "verse wond") in verband gebracht met de taal die de dichter (later) zal aanwenden, zoals in het Laatste Avondmaal de liturgische taal wordt "uitgevonden". De geboorte geeft de baby hier letterlijk een taal, verbindt hem onmiddellijk met "een wereld van dwarse woorden".
Het is tekenend dat Hagenaars de geboorte hier beschrijft als het komen uit de moeder en meteen daarop al schrijft dat hij zich "op een wereld van dwarse woorden" opent. Het eerste dat de boreling ervaart is taal, een taal die bestaat uit "dwarse woorden", dus geen gemakkelijke, of meegaande taal. Een taal waarmee geworsteld dient te worden.

Het is een overvol gedicht, een gedicht dat bij iedere lezing aan kracht wint. Dat is, misschien, het nadeel van het soort poëzie die Hagenaars schrijft: zij is nadrukkelijk geschreven áls poëzie, uit taal, en gebruikt weer andere poëzie (en taal) als brandstof. Het is taal gestookt uit taal. Hagenaars is daarom vooral een dichter voor dichters die dat soort poëzie willen (en kunnen) lezen.

Reacties

U kunt deze conversatie volgen door in te schrijven op de reactiefeed van dit bericht.

Is er een astroloog in de zaal? Jazeker!

Witte donderdag 1955 viel op 7 April. Ik heb even snel een horoscoop gemaakt voor 9:00 des ochtends, te Bergen op Zoom. Inderdaad: Boogschutter valt in het zevende huis, oftewel de descendant. Op graad 22:26 om precies te zijn. Hagenaars kent dus zijn eigen horoscoop, en 'citeert' daaruit in dit gedicht.

Hier volgt een output van de horoscoop, het Zevende Huis vindt u geheel aan de rechterkant. http://www.wegmetderandstad.nl/wordpress/wp-content/uploads/2012/04/ahagenaars.jpg

Of dit alles belang heeft voor de interpretatie, is een geheel andere zaak...

Geplaatst door: Cornelis van der Wal | 19-4-12 om 23:30

Maar toch is het een zeer goede aanvulling, waarvoor dank!

Geplaatst door: Chrétien Breukers | 19-4-12 om 23:38

Ik denk dat Albert Hagenaars zich in dit gedicht ook nadrukkelijk (letterlijk bijna) als een babyboomer wil presenteren. Ook het feit dat zijn initialen overeenkomen met de naam van de atoomproef lijkt me niet toevallig of lukraak neergepend hier.

Geplaatst door: Jacques Santegu | 20-4-12 om 0:43