BATAVIA

Diaís van oude fotoís smeulen in de donker
gemaakte middag. Onze schaduwen bewegen
aan de stramme vingers van een alwetende speler
die als vanouds de huiden strijkt en plooit.

De ventilator doet het verleden op het doek
kinderrijk herleven. Ik sluit de ogen maar hoor hoe
haar adem stokt, als toen, onder dat andere laken.
Gelogen verhaaltjes. Geloogde beelden. Zweet.

Namen als Koningsplein, Molenvliet en Rijswijk
verdwijnen onder de kalk der Japansche wet.
Prikkeldraad rolt uit. Grachten groeien dicht.
Ik richt, ik richt; haar zoon richt op mij.

 

MAE SAI 

Ergens tussen mij en de verboden heuvels
van Myanmar golft een grens van angst en lood.
De vrouw die jij voor ons wil zijn sluipt nader,
valt bijna samen met wie mij vreest. Je tast

me af, stijve lippen in de nacht over mijn vel.
Ik voel de handen van de man in jou op mijn buik.
Hij was ooit beroeps, oogt nu als een vader.
Niet de mijne, van zijn leven niet. Je tast

me aan, familie kent afstand, liefde geen genade.
Twijgen knappen, schermen flikkeren. Oeroud
land, even dichtbij en onbereikbaar als de dader.
Tot schuld ons loost: vliegen, en schroot.

 

BRUG OVER DE KWAI  

De locomotief wielloos wegroestend op zijn sokkel,
jouw vader de verdwaalde stoker, jou op de schop.
Japanse toeristen dribbelen over het begroeide spoor,
dat oost en west en hem in ons voorgoed verbindt.

Buigend van onschuld vragen ze mij een foto
te maken. Ze wachten in het gelid, glimlachen
van herkenning. Willoos verleg ik hun bestaan
in albums met Pat Pong, Clifford Pier en Borobudur,

naar dit kamp, het zwellen van de Kwai. Hij vloekt.
Dat wordt veel drinken vannacht, langer praten.
Over opaís graf in Bergen op Zoom, zijn Christus,
het kwaad dat over de rand van de doopvont komt.

 

GIERIK & NIEUW VLAAMS TIJDSCHRIFT, jrg. 17, no. 64, herfst 1999.