DIENG-PLATEAU

Het dichtgeslibde kraterveld krimpt en zwelt.
Over onzichtbare paden door afval en stank 
moesten wij van tempels naar een Kleurenmeer.
Hoeveel geloof werd hier ooit vergoten? 

De vrouwen in het zwavelgele gras lachten
om jouw bloot, spogen siri naar mij.
De oudste, met de ogen van het meer, sloeg
het aanbod af en gebaarde naar beneden.

Uit wat ze prevelde vertaal ik zoveel later,
starend in haar blindheid op mijn scherm:
‘De lijnen. De knopen van de wereld.
Die van uw vrouw. Respecteer haar rouw.’

 

IMOGIRI

Ook tussen de slangen met hun opengebeitelde bek,
bestegen we hand in hand de Trappen naar de Hemel.
We overzagen het eiland onder toeziend oog en god,
wat hield ik van dit zoveel sterkere land in jou.

We waren jong, verscholen ons nog achter lust.
Onze toekomst spande zich in mijn argeloos lid,
van jouw vader naar mijn moeder. Schrale kinderen.
De zalfpot voor de geboorte al geleegd. We brandden

wierook, gooiden munten, strooiden zelfs bloemen,
maar jij was al gebeten; je wens smaakte ijzerzoet.
En ik strooide maar door, strooi nog elke nacht,
tot ik hun bevelen in de mijne hoor, jou niet meer zie.

 

PARANGTRITIS

Over deze kust, deze woorden heerst Loro Kidul,
groene godin van schubben, schuim en wier.
Ze roepen haar op met rijst en jasmijn, zei hij.
Soms een geit. Vaker baby’s, altijd meisjes, ziek.

Wij bedreven de liefde op donderdag, het heilig uur,
elkaar schurend in schelpengruis en vaderzand
en geloofden wat minnaars gulzig beloven: mijn tong
gleed langs leidsels, lispelde trouw, werd hard

en scherp. Gongs begonnen te bonzen, en daar
rees ze al op, met bolle ogen, slagtanden en slijm,
haar geslacht een zwangere muil, en zoog me
mee onder, door de branding van jouw geest.

 

DE GROOTE BEER, Jrg. 1, no. 3, 1996.