VULKAANTOCHT

I

De paarden briesten toen we opstegen,
de stinkende, versleten dekens omsloegen.
We keken niet meer om; geen andere wegen
dan dit versteende pad om te vervoegen.

Zelfs jouw kliniek verdween uit het zicht,
ik gaf me over aan een maanloze nacht.
Talloze sterren vielen uit hun eigen licht,
het Zuiderkruis nam ongekend toe in kracht.

Tot onder het vriespunt bleven we stijgen.
Allengs voelde ik me met jouw vader verwant;
wilde ik meer dan ik weet leren verzwijgen.
Maar ik voer de pen in mijn schild.

 

II

Na de eerste wacht leidden we de paarden
naar beneden. Ik struikelde; niet het uit-
gesleten spoor de krater in maar hoe
hij zei dat ik loog in versjes. Over hen.

Hol klonk een zee van ingeklonken as
onder de hoeven. Ik  wilde niet over
de schreef maar hij drijft je, hagelend
in buien van liefde, en stijft je, in jou.

We raakten over onze slaap heen, kregen
kinderen, snauwden in elkaar. Vastbesloten
het geluk te winnen bereikten we de trap,
en klommen, als had hij ze nooit gelezen.  

 

III

Dit was de oudste vulkaan van de drie
in de krater. Zwavel benam me de adem;
eens zou ik hem verstrooien, met al zín liefde
in die koffer vol kamfer op zolder.

Diep onder ons stroomden wolken voorbij.
Jij omhelsde me zowaar, achter zijn rug om,
streelde me uit deze naamloze nacht.
Verzoening maakte plaats voor wrok.

Met de ene dagvaarding na de andere
ontstegen we zijn harder wordende woorden.
Vanuit jou kom ik dit uitzicht amper te boven,
zijn orakel nooit, het gelijk van de officier.

 

HET TAFELBLAD, jrg. 3, no. 6, 2003.