ACHTER DE SCHUREN

Achter de schuren, de geteerde keten,
vond het andere leven plaats.

Daar ritselde het, en dan weer
was het soms ook veel te stil,

zoals haar vrijer, zo lang al onder
in de sloot. Ik zag van hier

hoe straaljagers van de nabije basis
botsten en brandend uit de hemel stortten

en voelde hoe ik buiten mezelf raakte,
even alleen een kervend snijden onderging,

toen ik mín konijn gevild zag hangen,
het bloed nadruipend uit zín lege kassen.

Het sprak van het laatste licht,
de glimlach en zachte handen van vader

en ik wist, hij had gelijk, de kapelaan;
alleen wat wij kunnen zien verdwijnt.

Maar nu, als de ziel wel zonder woorden kan,
hoe hem dan te ontdoen van al wat wringt?

 

 

KARMELIETESSENKLOOSTER

Het onweerde, de slagregen
dwong de bomen op de knieŽn.
Ik vluchtte de grot op de tweesprong
in, kapel van altijddurende bijstand.

Bij kaarslicht staarden we elkaar uit
en ditmaal knipperde zij het eerst.
Haar gebarsten glimlach nodigde me
dichterbij dan ik ooit had durven komen.

Nu leerde een verre lispelende stem
die ik niet veel later liever hoorde
me over de lelies en de sterren,
over de breekbaarheid van de liefde.

Toen ik buiten kwam was alles
stil, rook het naar vagevuur
en wilde de middag niet meer open,
maar ik wist van het gisten

van het gips onder haar habijt.

Jubileumboek 'Van Alles: 1 + 1', Uitgeverij Demer, april 2011.