Index  index


ENKELE REACTIES

Deze bundel van Albert Hagenaars is bijzonder mooi gepresenteerd. De poëzie behandelt met goed gevolg de wisselwerking tussen de mens en het stedelijke landschap en tevens de crisis, in de zin van de ouderdomsverschijnselen, van een beschaving en in die van de persoonlijke crisis van de dichter, in de taal. Een goede dichtbundel!.

KRIS GEERTS, BOEKENGIDS, 1982.

 

Een logische stap in deze voortdurend evoluerende bundel is de makro-opname van één stad, in dit geval Parijs, op zich een ideaal dekor vol afwisseling, verval, dekadentie, vitaliteit en al dat bijna tegenstrijdige welhaast simultaan. Het pleit voor de kennis en kunde van de dichter Hagenaars dat hij al deze aspekten in deze cyclus gedichten heeft verwerkt. Je ontdekt voortdurend nieuwe elementen, die de gedichten steeds verrijken. De koper van Spertijd krijgt van ondergetekende levenslange garantie op vorm & inhoud van deze Poëzie.

FRANK POLLET, YANG, 1983.

 

Stilistisch vertoont Albert Hagenaars een opvallende voorkeur voor het kwatrijn. Zijn beeldspraak getuigt van een sterk poëtische trefkracht.

REMCO EKKERS, POEZIEKRANT, 1985.

Als de stelling dat ‘goede poëzie moeilijk moet zijn’ klopt, dan heeft Hagenaars goede poëzie geschreven. Ik heb deze stelling echter niet nodig om tot dit oordeel te komen. Deze bundel –de derde druk, met prachtige Engelse vertalingen- spreekt voor zich. Hagenaars gebruikt de taal op geheel eigen wijze. Hij creëert daarmee zijn eigen wereld, waarin steden als Parijs en Berlijn door bewuste en beluste vrouwen worden bevolkt. Eigenzinnig begint hij het titelloze titelgedicht met een komma –alsof hij wil zeggen dat hij zomaar ergens binnenvalt:  

, want spertijd is het, met de taken
van de taal zwellend in het hoofd,
mijn mond onder de hare, die eist en beveelt.

Thematiek en sfeer zijn hiermee gezet: de dichter neemt vrouwen en steden. Soms neemt hij ze zoals ze zijn; soms nemen ze hem te grazen. Vrouwen bevolken de steden waar de dichter nooit thuis is en waar hij toch intens leeft. Beide worden door de dichter zodanig ‘omschreven’ dat de lezer ze niet meer kan zien zoals voorheen.
Deze derde uitgave is niet alleen tweetalig –en wat voor vertalingen!- maar ook geïllustreerd met enkele houtsneden van de mij onbekende Raymond Thiollière.
JAN BONTJE, BEELDSPRAAK, 2001

In de reeks WEL-poëzie is ‘Spertijd’ van Albert Hagenaars aan een tweede druk toe. Deze zorgzame conservator van esthetiek van gisteren schaamt zich niet –en terecht, dunkt ons- te refereren aan Emile Verhaeren en Karel van de Woestijne. Een voorkeur voor deze bronnen maakt een dichter er duidelijk herkenbaar door. Hij nodigt de lezer uit woorden te proeven en er samen met de schrijver traag maar trefzeker een sfeer in te evoceren.
Als de lezer maar zijn aandacht gaande wil houden, dan zal hij kunnen ervaren in de drie cycli van deze bundel dat Hagenaars decors weet op te zetten en ook in de weemoed van de ‘Nocturnes’ beheerst weet te blijven. Deze bundel vindt ook baat in de fraaie kopieën van zes geestverwante houtsneden van een reeks van Raymond Thiollière.
EDOUARD JORIS, LEKTUURGIDS, 1985

…// Langs deze route bereikt nu de tweede, ongewijzigde druk van Spertijd van Albert Hagenaars het geïnteresseerde publiek.
De dichter houdt kennelijk van veel en soms ook ver reizen, want een flink deel van zijn gedichten hebben steden in binnen- en buitenland als decor en Parijs leidde zelfs tot een aparte afdeling.
Antwerpen heet ‘een schamel dorpsgebit / in een afgekloven Scheldekeel’ en Lille een ‘tochtig bordeel van de herfst’. En zo zouden er nog wel meer pregnante formuleringen aan te halen zijn.
De bundel is passend geïllustreerd met drie uit 1925 daterende houtsneden van Raymond  Thiollière.
RUDI BOLTENDAL, LEEUWARDER COURANT, 1985

De kaft van de bundel Spertijd van Albert Hagenaars, verschenen bij Uitgeverij WEL in Bergen op Zoom maakt een agressieve indruk: een zwarte houtsnede op een hardrode ondergrond. De inhoud is echter helemaal niet agressief of opvliegend. Het zijn gedichten die de meestal weemoedige herinnering aan een stad of streek verwoorden in subtiele beelden. Aan Parijs zijn elf gedichten gewijd. Albert Hagenaars heeft goed geobserveerd, hij romantiseert niet, laat ook de lelijkheid van de stad zien maar paradoxaal genoeg spreekt hij zijn verlangen steeds uit (blz. 38):

GARE DU NORD

Door de schrille voren
In haar Algerijnse rug
Weer aangekomen te Parijs.

De hal van het noorden
Ruikt naar woorden
Vol roet en roest, riet,
En zweet en dorpse rouw,  

En zoals van deze stad
Valt ook weer van mij,
Traag en in plakken,
De uitgedroogde pleisterlaag
Van een onverdraaglijk verlangen.

In de laatste afdeling, Nocturnes, is soms sprake van overacting, van gezochte taal, van beelden die iets te dik zijn aangezet en daardoor niet passen bij hun oorsprong.
Ondanks deze aanmerking is de bundel de aanschaf waard.
DICK DE SCALLY, CITY MAGAZINE, 1984

Albert Hagenaars’ bundel Spertijd valt op door de strakke structuur: drie hoofdstukken van elk elf gedichten; iedere afdeling wordt voorafgegaan door een citaat; het geheel door een citaat van de schrijver Van Oudshoorn én een inleidend gedicht, waarin de dichter zijn credo uitspreekt.
In zijn gedichten wil hij zijn identiteit bevestigen, m.a.w. hij zoekt daarin zichzelf. Dat zoeken manifesteert zich in de reizen die hij onderneemt: de reis is een verdichting van de realiteit. De schrijver probeert zijn positie te bepalen in een soort haat-liefderelatie tot de grote stad, Parijs bijvoorbeeld.
Naast de symboliek, de nacht is het onuitsprekelijke, het ondoorgrondelijke, vallen de tegenstellingen op. Een paar voorbeelden slechts: wit-zwart, de stad-platteland.
Over het werk van deze dichter valt nog veel meer op te merken. Het lijkt me echter beter dat u zelf de bundel eens ter hand neemt, immers: een literair werk, dus ook een gedicht, is pas compleet als de lezer er zijn eigen ervaring aan heeft toegevoegd.
A. BUCKENS, DE BOLWERKER, 1982

Tegelijkertijd met Frans Minks bundel verscheen van Albert Hagenaars ‘Spertijd’, een bundel stadsgedichten. Voor hij zich wendde tot de literatuur was hij beeldend kunstenaar.
Spertijd heeft meerdere betekenissen maar verwijst in de gedichten vooral naar een gesloten moeilijk te doorgronden tijd. Dat sluit volkomen aan bij het thema van de bundel –de bevestiging van de eigen identiteit. Daarnaar zoekt de dichter op zijn reizen. Afgaande op de titels kun je terecht spreken van reisgedichten. In de steden zoekt hij zichzelf in een soort haat-liefde relatie.
De gedichten zijn voor hem een vorm van bevrijding. Opvallend vaak terugkerende elementen zijn de stad (neon, roltrappen, asfalt) met haar tegenpolen het platteland, de vrouw (lipstick, armen, lijfgeur) en de nacht (donker, vensterrood). Eveneens opvallend zijn de subtiele wijze waarop hij van contrasten gebruik weet te maken; de tegenstelling tussen de grootstad en het platteland kwam reeds ter sprake. Andere zijn snelheid tegenover beklemming en realiteit naast fantasie.
In tegenstelling tot de gedichten van Frans Mink zijn deze streng vormelijk en inhoudelijk ernstig. Om bij het laatste te beginnen –dat zoeken naar de eigen identiteit is geen grapje. Het motto ontleende hij aan J. van Oudshoorn, die in onze letterkunde beslist niet als humorist te boek staat- Dit motto luidt: ‘Ik moet er helemaal van afzien, / het komen te vergeten, of er midden / in springen om te sidderen en te branden / en daarna, met de hand voor de ogen, / als voor iets afschuwelijks wegvluchten. / Ik kan me niet uit de verte koesteren / aan die hitte.’
Het is begrijpelijk dat de dichter zijn tijd zoveel mogelijk verhuld blootgeeft. Dat heeft consequenties voor de vorm, in het bijzonder voor de beeldspraak, die nogal wat verborgen personificaties bevat. Samen met andere stijlmiddelen ontstaan daardoor nogal eens moeilijke zinsconstructies. Dit effect wordt versterkt door het veelvuldig gebruik van sfeerbepalende woorden. Het zoeken naar zichzelf manifesteert zich in de gedichten als het zoeken naar de precieze formulering –de dichter wil niet misverstaan worden.
Daarmee hangt weer het cerebrale karakter van de bundel samen –ik bedoel daarmee dat Albert Hagenaars heel bewust zijn ervaringen toetst en weergeeft. De structuur is daarvan tot in onderdelen de weerspiegeling –drie kleuren (niet toevallig rood, zwart en wit), drie afdelingen van elf gedichten, elk voorafgegaan door een citaat en samen voorafgegaan door een inleidend gedicht en een motto.
Het tweede deel, ‘Parijs’, bevat gedichten die telkens betrekking hebben op een stadselement bijvoorbeeld een café of een park. Alle gedichten zijn strofisch.
In Maagdenburg zijn de eerste en vijfde strofe de twee spiegelende helften van de bol:

MAAGDENBURG

Grauwe velden. Verboden land. Wankelend
rijdt de trein door dit landschap waaruit
alle lucht gezogen is. Dat van mij gescheiden is.

Een herinnering splijt plots de reis, opent de bol,
daar wordt tussen de koperen randen mijn mond
een nap op de bevleesde ruimte van de ander

en in een somber en verwarrend beeld van sikkels
en sterren, sintels, stoom en roestende bruggen
en vertrouwde armen die zich nu wit en mager

uit een achtergrond van dood water naar mij uit-
strekken, schuift Maagdenburg, verzakt in haar
decor van verouderde gieterijen, voorbij.

Nog opent het bevreesd gezicht op de ruit de mond
voor een afwerend nee. Geen geluid. Dan weer
vale akkers. Gesloten land. Wankelend.

Ook andere uitgaven uit het inmiddels zestig titels omvattende fonds zijn zeker de moeite van het bekijken waard, al zult u een aantal ervan moeilijk kunnen bemachtigen, omdat ze zijn uitverkocht.
ANTOINE BUCKENS, BRABANTS NIEUWSBLAD, 1982

Albert Hagenaars voelde de lente kriebelen en had zin om zijn tweede bundel grondig te vertimmeren, de kozijnen te vervangen en de boel eens lekker in de frisse verf te zetten. Een zoveelste druk van een bundel van Hagenaars is immers niet zomaar een verse oplage maar eerder een compleet nieuw boek. Niet één gedicht heeft deze uitgave gehaald in de oorspronkelijke vorm. De dichter heeft heel wat geschaafd, geschrapt en vervangen. Het grote gebaar is echter gebleven. De auteur is dan ook meer een schilder dan een tekenaar: aan een tekening kun je amper iets veranderen, een schilderij kun je blijven bijwerken.
De bundel is, zoals gebruikelijk bij het werk van deze dichter, vormgegeven in de indringende kleurcombinatie rood-wit-zwart, en gelukkig nog steeds verluchtigd met de mooie houtsneden van Raymond Thiollière (uit de in 1925 vervaardigde reeks O ville d’Oppression en de Meurtre).
Het grootste deel van de vierendertig gedichten (een opmaat gevolgd door drie afdelingen van elf gedichten) is compacter geworden, zowel qua inhoud als qua vormgeving. Enkele titels wijzigden: Kreuzberg en An der Spree werden respectievelijk Berlijn (West) en Berlijn (Oost) gedoopt en Waarschuwing heet nu Ceremonie. Een vers als Belegering is haast compleet herschreven. Slechts Voltooiing en Het Einde (niet toevallig de slotgedichten?) kwamen de revisie op een detail na ongeschonden door.
Het is me niet altijd duidelijk waarom Hagenaars veranderingen aanbracht. In het voor het grootste deel overigens redelijk intact gelaten Promenade werd  

Zwaarbeladen schepen doorvaren me
langzaam door de straten van de nacht,
zwart schuim om de logge boeg der lippen
 

veranderd in

Zwaarbeladen schepen doorvaren me
langzaam op de avenues van de nacht,
zwart schuim om de boeg der lippen.

Ik weet het: de gustibus non est disputandem maar mijn voorkeur gaat nog steeds naar de eerste, veel ritmischer versie. Maar voor de rest zijn de veranderingen die de dichter aanbracht veelal ook verbeteringen. Het titelloze openingsgedicht bijvoorbeeld is ontdaan van ‘talige’ onderdelen als ‘metastasen’ en semantisch geslepen tanden’, teruggebracht van vier versgroepen van vier regels tot drie van drie en ingedikt van 118 tot 70 woorden. Het is er sterker door geworden. De achttien jaren die verstreken sinds de eerste publicatie hebben de lens van de dichter zuiverder gesteld. In het pregnante Montreuil is hij te weten gekomen waar zijn vader (aan wie het vers is opgedragen) in de oorlog verbleef, hetgeen het gedicht nog beklemmender maakt:

duizelend aan de kust van Parijs, op een viaduct
over de Périphérique, schommel ik weer
in de lommerrijke hof, jij duwend in de diepte
ik een en al hoogtevrees boven de barakken  

vol honger van Zuffenhausen en Fellbach,
en hoger nog, tot tussen de zeemeeuwen
van onze geboortestad, krijsend om het witst.
Heimwee, in zwarte zwermen, snerpende aria’s.

De opgekalefaterde Spertijd verhoudt zich tot de oerversie als cognac tot vieux.
Overigens betreft het hier een dubbelbundel: deze derde druk gaat namelijk vergezeld van een volledige Engelse vertaling, Curfew, van de hand van de Amerikaanse Catherine East. Die is geslaagd te noemen, al kunnen de wenkbrauwen hier en daar toch worden gefronst. Zo begrijp ik niet goed waarom in Parc des Buttes Chaumont

In elke straat de uitslag van de stad,
rond elke boom, iedere vrouw, haar lijfgeur.

vertaald wordt als:

In each street the rash of the city,
around every tree, each woman, its body odor.

Dit is een raadsel dat ik vooralsnog niet krijg opgelost: straat, stad en vrouw zijn vrouwelijk, uitslag en boom mannelijk. Vanwaar dan toch dat onzijdige ‘its’? En waarom Bolwerk, Lievevrouwestraat en Spui (straatnamen in het gedicht Bergen op Zoom) vertaald in Bulwark, Holy Virgin Street en Sluice gate, en (bijvoorbeeld) Boulevard de la Liberté en Place aux Oignons (in Lille, waarin Rijsel ook gewoon Rijsel blijft) níet in Boulevard of Freedom en Place of Onions? Waarom het Frans voor de anglofonen op een hoger plan gesteld dan het Nederlands?
Deze inconsequentie laat echter onverlet, dat East zich diep in Hagenaars’ poëzie heeft ingegraven en soms met verrassend knappe vertaaloplossingen op de proppen komt:

Een herinnering splijt plots de reis, opent de bol,
Daar wordt tussen de bronzen randen mijn mond
Een nap op de bevleesde ruimte van de ander

Uit Maagdenburg werd effectief beknopt:

A memory suddenly splits the trip, opens
The sphere. There, between the bronze edges,
My mouth anticipates her semblance.

Een leesavontuur!
HET VERBODEN EVANGELIE VAN DE DICHTER, NO. 4, APRIL 2000

 

TIJD DIE OPEN EN DICHT IS
Onlangs verscheen de tweetalige bundel Spertijd / Curfew van de schrijver en dichter Albert Hagenaars. Deze dichtbundel is uitstekend in het Engels vertaald door Catherine East. De Nederlandse uitgave die al in 1982 was uitgekomen, is mij destijds ontgaan, ook omdat de poëzie voor mij toen nog een tamelijk onbekend terrein was, ver achter de horizon gelegen. Dat is inmiddels veranderd.
Het eerste gedicht dat ik van Hagenaars las was Depersonalisatie, waar ik wel een bijzondere band mee kreeg. Dit was één van de tientallen gedichten die ik op Nationale Gedichtendag in januari j.l. voorlas uit de Komrij-bloemlezing, in een boekhandel in Groningen.
Het verraste mij want hoewel ik zeer uiteenlopende verzen had voorgelezen uit de Nederlandse en Vlaamse poëzie moest ik direct erkennen, bekennen, dat ik niet wist wat ik had voorgelezen voor het aanwezige publiek. Hieruit mag tevens blijken hoe bedrieglijk de taal én de voordracht van poëzie kan zijn: ik las voor op een toon, foutloos nog wel, alsof ik er álles van had begrepen, geen woord abracadabra erin te bespeuren viel. Alsof hier klare wijn op klaarlicht dag geschonken werd. Ook de gedichten in Spertijd / Curfew laten zich niet makkelijk ontraadselen, ontcijferen. De titel vind ik treffend omdat direct sprake is van ‘gesloten tijd’, een barrière of hindernis opgeworpen tussen taal en beelden, taal en betekenissen, de werkelijkheid en de verbeelding wat in zijn gedichten steeds zeer sterk naar voren treedt. Dat begint al met de eerste regel, in het eerste gedicht op blz. 6, voorafgegaan door een veelzeggend leesteken, een komma:

, want spertijd is het, met de taken
van de taal steeds zwellend in het hoofd,
mijn mond onder de hare, die eist en beveelt.

In deze regel komt ook meteen een vrouw in beeld, een muze, die de dichter niet alleen inspireert en uitnodigt of verleidt tot het dichten, lieve woordjes influistert maar blijkbaar heeft zij veel meer in haar mars, nl. een dwingende en autoritaire toon, stem: ze eist, ze bevéélt. Daar valt weinig vrijblijvends in te ontdekken. Ook deze dwingende relatie tussen taal en de vrouw in verschillende gedaanten, verschijningsvormen, komt herhaaldelijk terug als hoofdthema: ‘ontlaadt ze mijn drift’ (in Antwerpen), ‘broeiend bordeel van de herfst // daalt…mijn verlangen af’ (in Lille), ‘Vrouwelijk beeld: een modderig verband om weke zinnen vol weigering’ (in Venetië). De gedichten hebben bijna allemaal titels van steden in Europa, m.n. Frankrijk (waar Hagenaars langere tijd woonde), Italië, Oostenrijk, Duitsland. Opvallend is dat bijna al deze steden naast hun wirwar van straten, boulevards, metrolijnen, architectuur, ingewikkelde plattegronden wel een of ander vrouwenbeeld in zich hebben: ‘lipsticksmerend de lange oostenwindse / kussen waarin wij tenslotte op het bord / van de spastische spelers geplaatst werden’ (in Berlijn, Oost), ‘een ander heden, en streel keer op keer / de koele gehuurde rug. Nu vergeefs, dicht’ (in Rome, waar de stad vergeleken wordt met een publieke vrouw).
Hieruit mag wel een grote mate van verval, decadentie spreken waar ‘het leven’, ook in vroegere tijden (dikwijls verwijst Hagenaars naar vorige eeuwen, het Fin de Siècle in Wenen bijv.), dus de geschiedenis volledig overheen is gegaan, de Eerste en Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld.
De titel Spertijd / Curfew verwijst dan ook voornamelijk naar nogal bedreigende situaties maar dan vooral fictief bedoeld: de onmogelijkheid om de realiteit in woorden te vatten, de taal die niet in staat is om de werkelijkheid geheel te verbeelden, allesomvattend te verwoorden. In het verlengde hiervan zou je kunnen zeggen, dat ook de liefde, een terugkerend thema, de wens of het verlangen om te beminnen, bemind te worden, tekort schiet:

…………………………verlies ik me
in de liefde van een zieke Engelse dichter
die ik laat sterven in mijn nabije hotel,
kuchend, herfst spuwend, zijn lippen nog
schroeiend aan de strofen van een hitsige muze.

In veel gedichten komt de complexiteit in allerlei vormen van het bestaan, de sterke contrasten licht-donker, licht -zwaar, wit-zwart, mijn vingervlug spel met schakelaars. Ik klik gaten in de nacht (in Sprookje), het onvermogen om het leven geheel te doorgronden, lief te hebben, steeds naar voren in diverse uiteenlopende beelden, indrukken, opsommingen, registraties alsof een donkere sluier over de dingen gedrapeerd ligt. De dichter spreekt immer over: ‘innerlijke stegen’, ‘slaat gaten in de nacht, in de tijd’, ‘wraak in deze doorwaakte nacht’, ‘neerslag van een ontvleugeld leven’, ‘rode striemen van mijn angst’, ‘platgemaaide stad: geen kuil dieper dan die van het verraad’, en ‘de nacht een rouwkleed’.
Toch wordt de lezer zeker wel een blik achter de schermen gegund waar de taal iets lichtvoetiger en met souplesse geopend wordt, soms tussen de regels door, soms achter de woorden, in bijvoorbeeld Versailles:

Op het van dauw spiegelend terras
tussen park en paleis en realiteit
zijn vergroeiing met vrouwen verspeelt,
druppels weemoed op de toetsen

Dit maakt zijn gedichten bijzonder interessant, boeiend en ze roepen vragen op die lang niet altijd makkelijk te beantwoorden zijn, als antwoorden noodgedwongen uitblijven. Want taal is drijfjacht en sommige woorden laten zich niet vangen, zoals in Met vaste hand:

Taalnacht wordt drijfjacht. Wat anders
te doen dan met deze strofen het gareel
vormen waarin zij niet ontspoort

door wat buiten de kaft aan handen
te loeren staat. De wil slijpen tot een wapen
om dit gezwel uit het zachte weefsel
van mijn lust te snijden.

HANNIE ROUWELER, SCHOON SCHIP, JRG. 7, NO. 4, 2003

 

 

Index  index