Index

DE NIEUWE NEDERLANDSE POEZIE

Medio 1977 nodigde de redactie van het Vlaamse literaire tijdschrift Deus ex Machina Albert Hagenaars uit om een themanummer voor de 11e jaargang samen te stellen, gewijd aan de nieuwe poëzie in Nederland.
Op basis van de beschikbare ruimte besloot Albert Hagenaars tien dichters te selecteren, sommige al bekend maar andere nog vrijwel onbekend, en per dichter twee pagina’s te reserveren. Hij koos, in alfabetische volgorde werk van: Frans Budé, Meindert Inderwisch, Marcel Koopman, Jan Kostwinder, Nico Slothouwer, Harry van Tienen, Wim van Til, W.J. van Wouten, Rogi Wieg en Joost Zwagerman.
Dit themanummer van Deus ex Machina, tevens no. 41 van de hele reeks tot dan toe, werd gepresenteerd in het Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond te Amsterdam.

 

VOORWOORD VAN DE REDACTIE

Albert Hagenaars stelde voor Deus ex Machina een bloemlezing samen uit het werk van tien jonge dichters uit Nederland.
Uit dit overzicht blijkt, dat men niet kan spreken over een inhoudelijke of vormelijke verwantschap tussen de leden van de jongste dichtersgeneratie. Wel valt de hoge literaire kwaliteit van de gedichten op.
Albert Hagenaars, zelf een uitstekend dichter, die reeds meermaals in dit blad publiceerde, werkt bij uitgeverij WEL en is een fervent voorstander van de literaire integratie tussen de verschillende deelgebieden van het Nederlands taalgebied.

 

EEN BOEKETJE BOTERBLOEMEN?

Aardig centraal in het Nederlands taalgebied wonend, maar op de grens tussen Vlaanderen en Nederland, heb ik, niet in de laatste plaats ook als fervent bezoeker van talrijke literaire manifestaties aan beide zijden ervan, heel wat opmerkingen over poëzie over en weer horen gaan.
Er zou een Vlaamse poëzie zijn, bepaald door begrippen als ‘warm, barok, inhoudsgericht’ etcetera, en een Hollandse, die het moet doen met de omschrijvingen die daar vaak haaks op staan: ‘koel, nuchter, vormgericht’.
Welnu, ik geloof er allemaal niets van. Er is net zo min een Vlaamse of Nederlandse poëzie als een Groningse of Brabantse. Met gemak zijn meer namen te noemen dan die van Roland Jooris en Harry ter Balkt om dit te staven.
Wat ik beslist niet ontken, zelfs moet bevestigen, is het grote verschil in interesse voor de poëzie van de ander dat, in de hand gewerkt door een redelijk professioneel distributie- en promotieapparaat in Nederland en het vrijwel ontbreken daarvan in Vlaanderen, de ongelijke situatie lange tijd versterkt heeft, al mag niet worden geconcludeerd, zoals te veel gebeurt, dat de Vlaamse lezer de Nederlandse poëzie goed kent, of dat zijn noordelijke buur alleen maar de neus ophaalt voor wat uit het zuiden komt.
Een kentering schijnt niettemin op gang te komen; langzaam maar zeker neemt het aantal publicaties van Vlaamse literatuur in Nederlandse tijdschriften toe, terwijl naast de kleinere uitgevers als Opwenteling en WEL (met hun vestigingen in respectievelijk Eindhoven en Bergen op Zoom) nu ook de grote er meer belangstelling voor tonen.
Een Vlaamse bloemlezing poëzie van jonge, Nederlandse dichters complementeert deze tendens. De hierna volgende in Deus ex Machina, een tijdschrift dat, wars van regionalisme, altijd haar bladzijden wijd opengezet heeft voor het buitenland en met name Nederland, wordt gekenmerkt door een bont karakter.
Vrijwel alle richtingen en stromingen, van traditioneel tot experimenteel, met uitzondering van het bühnegericht werk (dat alleen op videoband of desnoods geluidsband volledig tot zijn recht komt) worden vertegenwoordigd.
Het enig andere criterium dat voor ondergetekende een rol speelde was kwaliteit. Het is in dit verband dan ook een leuke bijkomstigheid en niet meer dan dat, dat het gamma meer dan Holland of simpelweg de Randstad bedekt; Kostwinder is geboren in Groningen, Zwagerman komt uit Alkmaar, Inderwisch woont in Vlissingen en Budés gedichten ontstaan in Maastricht. Wel is getracht per dichter een ontwikkeling weer te geven.
De door de redactie van Deus ex Machina gewenste benaming heeft meer te maken met de leeftijd van de gekozenen dan met het feit dat het dichterschap op zich jong is. Hiermee wil niet gezegd zijn, dat al wat oudere dichters die de laatste jaren debuteerden geen interessant werk leveren; Robert Anker, B. Zwaal en Victor Vroomkoning bijvoorbeeld staan garant voor poëzie van hoge kwaliteit. Wel mag van de jongeren, waarvan velen toch al meerdere publicaties op hun naam hebben staan, op z’n minste een andere, wellicht nieuwe kijk op het tijdsbeeld en de rol van de poëzie hierin, verwacht worden.
Deze bloemlezing wil bepaalde vooroordelen helpen wegnemen, aantonen dat het Nederlandse taalgebied volop mogelijkheden biedt om meer ruikers samen te stellen dan alleen een spreekwoordelijk boeketje nieuwe boterbloemen. Dat de lezer plukke!

Albert Hagenaars, november 1978.



Index